Herdenking Pauluskerk 15 augustus 2019 – Renie Vis-de Ceuninck van Capelle

Brandend Verlangen

Het thema van de herdenking is dit jaar Brandend Verlangen. Die 2 woorden omvatten eigenlijk alles:

  • In oorlogstijd een brandend, allesoverheersende verlangen naar vrijheid, een brandend verlangen om weer bij je geliefden te zijn, geen honger, geen ziekte, geen angst meer te voelen.
  • Brandend verlangen is iets zó graag willen dat het pijn doet. Maar het is ook een oerkracht die heeft geleid tot overlevingsdrift die velen overeind heeft gehouden in die vreselijke oorlogsperiode.

Mijn vader, Frits Rudolf de Ceuninck van Capelle, heeft 3 ½ jaar in krijgsgevangenkampen gezeten. Eerst op Java (Sukabumi, Tjimahi), daarna in Singapore (Changi) en toen in Thailand waar hij een jaar en 2 maanden aan de Birma spoorweg heeft gewerkt. Hij heeft daar in vele kampen langs de River Kwai gebivakkeerd: Tarsao, het basiskamp, waar duizenden krijgsgevangenen wachtten tot ze uitgeselecteerd werden voor een of ander dodenkamp: Rinatin de modderpoel, Ken Saiyok met een Japanse beul als commandant of het cholerakamp bij de Drie Pagodenpas in Birma.

Vervolgens werd hij met een schip naar Japan vervoerd waar hij in de kolenmijnen heeft gewerkt.  Daar zat hij in  kamp Tanagawa (Osaka) .

Ik ben ervan overtuigd dat vooral een brandend verlangen naar een hereniging met zijn net hervonden moeder hem door die onvoorstelbaar zware kampjaren heeft geholpen.

Zijn vader, mijn opa, was administrateur (in die tijd een topfunctie) op een theeplantage in Pengalengan die eigendom was van een grote Rotterdamse handelsonderneming.

In die tijd, omstreeks 1915, waren er weinig Europese vrouwen in Indië. Europese mannen trouwden niet, maar gingen samenleven met een Indonesische, Chinese of Japanse vrouw, een njai . Dit was ook bij mijn opa het geval en uit zijn relatie met een Indonesische  theeplukster werden 3 kinderen geboren die door mijn opa werden erkend.

De directie van de Nederlandse handelsonderneming kwam over uit Rotterdam en droeg mijn opa op zijn inlandse njai weg te sturen, want het was  “geen gezicht en ongepast”. Mijn oma, de moeder van mijn vader, werd weggestuurd en kreeg geld mee om vlakbij een lapje grond te kopen zodat ze in ieder geval in de buurt van haar kinderen kon zijn.

Mijn vader werd toen hij 3 jaar oud was van het ene naar het andere kosthuis gestuurd en zijn 2 zussen zaten op de nonnenkostschool.  Over die tijd heeft hij alleen gezegd: “Ik was zo alleen, ik heb nooit nooit een schouder gehad om op uit te huilen. Daar ben ik wel een grote jongen van geworden”.

Alleen in de vakanties kwamen de kinderen naar de onderneming.  Ze speelden dan met de kinderen van het personeel. Zijn vader zat met het Europese personeel aan de ene kant en aan de andere kant zaten de inlanders. Daar zat zijn moeder tussen, maar haar kinderen kenden haar niet…

Jarenlang dacht hij dat hij geen moeder had., omdat er ook nooit over haar werd gesproken.

Op zijn 17e  was hij op een keer bij een oom thuis die hem plotseling vroeg: “Wil jij je moeder zien?” En mijn vader antwoordde: “Ik weet niet dat ik een moeder heb.”  Maar zijn oom zei: “Ze is hier…. “ Dat was de eerste keer dat hij zijn moeder ontmoette.

Na deze hereniging sloeg een paar jaar later het noodlot toe.

De oorlog brak uit en hij werd opgeroepen door het KNIL. In maart 1942 werd hij krijgsgevangen gemaakt en kwam in verschillende kampen terecht.

Ondanks het feit dat hij weinig over die periode sprak, weet ik  voor een deel wat hij heeft meegemaakt. Zijn leidinggevende, luitenant Dam Backer hield een geheim dagboek bij dat uiteindelijk  jaren later in Nederland is uitgegeven.

De rode draad in dit boek “Buigend Riet” is ook dat verlangen…. Het grote verlangen om meer te weten over wat er buiten  het kamp en in de rest van de wereld gebeurde.  Hoop doet leven dus gretig klampten de krijgsgevangen zich vast aan geruchten over een op handen zijnde bevrijding.

Over verlangen gesproken: ze fantaseerden regelmatig over wat ze als eerste zouden doen als ze vrij waren, wat ze zouden gaan eten…

Kortom: Uit elke zin spreekt dat brandend verlangen naar betere tijden en vooral naar hereniging met familie. Voor mijn vader betekende dat: hereniging met zijn moeder die hij net had hervonden.

Maar als hij na de oorlog na drieeneenhalf jaar afwezigheid terugkomt op Java, is zijn moeder onvindbaar.  Omdat iedereen wist dat zij een relatie had gehad met een Nederlander moest ze vluchten en onderduiken.

Niemand kon haar vinden en mijn vader dacht haar nooit meer terug te zien als hij in 1958 met ons gezin voorgoed naar Nederland vertrekt.

Als je op je 17e  jaar voor het eerst je moeder ontmoet en haar vervolgens weer kwijtraakt en misschien voorgoed, is dat hartverscheurend.

Eén van zijn twee zusters die in Australië woonde,  reisde af naar Indonesië en begon opnieuw een intensieve zoektocht. Ze vond uiteindelijk in 1976 hun moeder in een afgelegen kampong in de bergen. Mijn vader is toen meteen naar Indonesië teruggegaan en heeft haar na 35 jaar weer in de armen kunnen sluiten.

Gelukkig heeft hij haar in de jaren daarna nog een paar keer kunnen bezoeken voordat ze overleed, maar het sneed door mijn ziel als hij zachtjes zei: “Ja, wel twaalf maal in mijn leven heb ik mijn moeder ontmoet”.

Er zijn talloze verhalen te vertellen over dat brandend verlangen dat iedereen in oorlogstijd heeft ervaren en dit was er slechts één van.  Ik ben dankbaar dat ik vandaag het verhaal van mijn vader mocht vertellen, neen, KAN vertellen.  Want laten wij niet vergeten:  zoals wij hier nu zitten,  voor ons gevoel heel normaal, dit was de vurigste wens van iedereen in oorlogstijd: in vrijheid te leven met familie en vrienden. Daarom is deze herdenking ook zo belangrijk: laten wij, ook als is het maar 1 x per jaar niet vergeten:

Vrijheid is nooit vanzelfsprekend.