Boekbespreking

Jos Odekerken

Het afgelopen jaar verschenen er twee boekwerken over de Vechtstreek, beide zeer de moeite waard, om geheel verschillende redenen.

Eeuwige schoonheid aan de Vecht

Ter gelegenheid van het 25-jarig bestaan in 2020 van het Vechtstreekmuseum in Maarssen hebben een groot aantal medewerkers van het museum en leden van historische kringen uit Loenen, Breukelen en Maarssen de handen ineen geslagen en een fraai kijk-en-leesboek geproduceerd waarin recht wordt gedaan aan zowel de beleving van kunst als kennis van de historie van de Vechtstreek. Presentatie van historie en kunst uit de regio zijn tevens de bestaansredenen van dit unieke museum, dat zijn jubileum viert met een tentoonstelling, De Vecht – Nieuwe parels blootgelegd, waar onder andere unieke kunstwerken uit privécollecties getoond worden.

Het eindresultaat van deze samenwerking tussen gelijkgestemden, behept met een interesse in de cultuurhistorie van de Vechtstreek, getiteld Eeuwige schoonheid aan de Vecht, biedt een rijk geïllustreerd chronologisch overzicht van de geschiedenis van de Vechtstreek, waarin de hoogtepunten uit het gebied speciale aandacht krijgen, zoals de bekende buitenplaatsen als Nijenrode, Gunterstein, Goudestein, Doornburgh, Vreedenhoff, de kastelen in Oud-Zuilen, Loenersloot en Weesp. Werk van etsers en schilders van de streek zoals Daniël Stoopendaal, P.J. Lutgers, Jac.P. Thijsse en onder anderen de beroemde Vechtschilders Storck en Bastert en prachtig fotowerk van de Foto- en Videoclub van Loenen maken dit boek, geproduceerd tegen een weggeefprijs, tot een begerenswaardige introductie in de Vechtstreek.

  • Eeuwige schoonheid aan de Vecht, Vechtstreekmuseum, Drukkerij aan de Vecht, Maarssen 2020. € 9,95

Elsenburg, de verdwenen buitenplaats

Je moet wel van goeden huize komen om de moed te hebben een boekwerk samen te stellen over een niet meer bestaande buitenplaats aan de Vecht, in dit geval over Elsenburg in Maarssen. Dat doen de auteurs van Elsenburg, de verdwenen buitenplaats, met als ondertitel Het ontstaan van het buitenleven aan de Vecht.

De ondertitel geeft al aan dat genoemd boek veel meer is dan de geschiedenis van een verdwenen buitenhuis sec. Voor de al enigszins ingevoerde leek op het gebied van kennis over de Vechtstreek is deze uitgave niet minder dan een rijke aanwinst waarin uitvoerig ingegaan wordt op een fascinerend stuk geschiedenis van de Vechtstreek vanaf begin 17e eeuw tot heden, een verslag dat een rijkdom aan gedetailleerde kennis en liefdevolle interesse in de Vechtstreekbewoners door de eeuwen heen etaleert dat je leest en op details herleest.

Het verdwenen Elsenburg, ruwweg op de plek van het huidige Doornburgh, is de aanleiding voor de auteurs Jan Simonis, Jaap Kottman, Hans van Bemmel en de contribuanten Gary Schwartz, Ton en Lily Simonis, voor een cultuurhistorisch overzicht van het fenomeen buitenplaats aan de Vecht naar aanleiding van fasen in de geschiedenis van het buiten Elsenburg.

De auteurs spreken over drie verschillende huizen, Elsenburg I, II en III, te beginnen met het huis dat omstreeks 1637 werd ontworpen door architect Philips Vingboons, in wat wij nu een ‘classicistische’ stijl noemen. Een volgende eigenaar, Theodorus de Leeuw, heeft huis I, toen het ongeveer tachtig jaar bestond, hoogstwaarschijnlijk volledig laten afbreken en een nieuw blokvormig huis door een onbekend architect laten ontwerpen en de omringende terreinen verder uitgebreid. In 1780 komt dit Elsenburg II in het bezit van de puissant rijke Amsterdammer Jan de Witt die het bestaande buiten op zijn beurt laat afbreken en omstreeks 1795 laat vervangen door een nieuw huis, Elsenburg III, ‘waarschijnlijk het grootste huis ooit aan de Vecht gebouwd.’ Tot nu toe was de architect van dit huis onbekend, maar de auteurs concluderen op basis van allerlei aanwijzingen dat dit Abraham van der Hart moet zijn geweest, de toenmalige stadsbouwmeester van Amsterdam.

Helaas bestaat er alleen nog maar een afbeelding van een zijgevel van dit buiten. Er zijn wel plattegronden gevonden, bovendien vier interieurtekeningen en een uniek twee-meter-lang veilingbiljet dat in 1810 werd samengesteld bij de verkoop van Elsenburg III. Een frappant detail op dit biljet: op de plattegrond van het onderhuis staat een ‘Knegs poeijerhok’ vermeld, het kamertje waar in die tijd de pruiken werden gepoederd en bewaard. Uit alles blijkt dit Elsenburg een ‘showpiece’ was, rijker van opzet dan enig ander buitenhuis in ons land. Een tijdgenote noemde het in haar dagboek ‘het mooiste huis van de republiek’. Het huis omvatte vijftig kamers en kabinetten en was ontworpen ‘naar de beste antique smaak’.

In 1812, toen er geen kopers voor het huis bleken te zijn, werd het huis gesloopt. Het terrein werd opgedeeld in drie percelen en aan verschillende kopers verkocht, waaronder een buurman Willem met de bekende achternaam Huydecoper, woonachtig op Doornburgh. De eerdere Huydecopers waren tevens de oorspronkelijke eigenaren van een deel van de grond waarop Elsenburg I in de 17de eeuw gevestigd werd.

Deze korte opsomming van het wel en wee van het bouwwerk, Elsenburg geheten, doet geen recht aan dit boek dat veel meer is dan een bouwtechnische beschrijving van een interessante buitenplaats. Zoals de ondertitel van het boek aangeeft, Het ontstaan van het buitenleven aan de Vecht, gaat het hier om een cultuurhistorische verkenning van de opkomst en ondergang van generaties welgestelden waarin verschillende manieren van leven door de eeuwen heen worden belicht. Denk daarbij aan aspecten als het beleggen van gelden, benoemen van functionarissen in publieke functies, het fenomeen van de ridderhofstad en heerlijkheden met bijbehorende rechten, sociale distinctie en clanvorming, horticultuur en vrijetijdsbesteding, maar ook nieuwe genres in de kunst en de invloed van de internationale politieke situatie op dit geheel. Dit alles lezende is het goed steeds te bedenken: uiteindelijk diende het huis en de tuinen er omheen één overkoepelend hoger doel, namelijk bijdragen aan het ‘aensien ende respect’ van de eigenaar.

Het boek bevat een mer à boire aan interessante weetjes die het geheel inkleuren. We noemen er enkele. Inpolderingsactiviteiten hingen sterk samen met het stijgen of dalen van de graanprijzen, de traditie van het buiten wonen kreeg extra impulsen door de instroom van migrerende Vlamingen, het verwerven van een heerlijkheid leverde onder andere het recht op om kerkmeesters, omroepers en doodgravers te benoemen. Vanuit Amsterdam kon de Vechtstreek in zeven uur per trekschuit bereikt worden, Joan Huydecoper junior, buurman van Elsenburg, bezocht Antonie van Leeuwenhoek in Delft om door diens microscoop naar allerlei ‘dierkens’ te kijken. Hij blijkt tevens medeoprichter van de Amsterdamse Hortus Botanicus in 1682. Tijdens zijn termijn als burgemeester van Amsterdam vindt de schilder Jan van der Heyden de brandspuit en de stadsverlichting uit. Nog één voorbeeld van een typische eetgewoonte uit de betere kringen, die mede de inrichting van het huis bepaalde: in bovengenoemde plattegrond van het huis treffen we een ‘dessertkamer’ aan. Daar werd alles klaargezet voor het gastenmaal om tafelgenoten snel, met een ‘service à la française’, te kunnen bedienen. Geheel volgens Franse traditie moesten alle gerechten, soms wel meer dan elf, tegelijk worden opgediend.

De Huydecopers wisten hun buitenplaatsen in 1672 van verwoesting door de Fransen te redden door het betalen van brandschatting. Volgens berekeningen zouden er in 1690 alleen al in de ‘Heerlyckheyt van Maerseveen’ 42 buitenplaatsen hebben gestaan. Zestig jaar later, rond 1750, fungeert meer dan 30 procent van de buitenplaatsen niet meer als zodanig. In de jaren zeventig daarna verdwenen veel buitenhuizen en begon de afbraak. Tussen 1775 en 1825 gingen maar liefs 32 buitenplaatsen verloren.

Iets van die oude glorie van Elsenburg kunnen we nog daadwerkelijk zien. Van Elsenburgs tuin staan er twee grote tuinvazen van de hand van Jacob Cressant in het Rijksmuseum. Op het terrein van het huidige Doornburgh zijn er nog objecten te vinden die herinneren aan Elsenburg II, zoals het smeedijzeren hek uit circa 1730, het sluisje aan het Timmermanslaantje en het botenhuis aan hetzelfde laantje.

Terugkijkend concluderen de auteurs dat de huizen Elsenburg I, II en III representatief zijn geweest voor de periodes van groei, bloei en verval van de buitenplaatsen langs de Vecht en als zodanig exponenten zijn van de ontwikkeling van het buitenhuis aan de Vecht. Hun geschiedenis wordt in dit doorwrochte werk gedetailleerd en met veel stijlgevoel en deskundigheid beschreven.

  • Elsenburg, de verdwenen buitenplaats, Jan Simonis, Jaap Kottman, Hans van Bemmel,
    Uitg. Verloren, Hilversum 2020. € 25,00